|
Een Manifest inzake het rookverbod An error doesn't become a mistake until you refuse to correct it. Orlando A. Battista Aan deze one-liner moet ik denken bij het groeiende verzet vanuit de horeca tegen het per 1 juli 2008 ingestelde rookverbod. Laat ik bij het begin beginnen. Een democratisch verkozen parlement met daaruit een aangesteld kabinet, heeft een besluit genomen over de rookvrije horeca en de uitwerking daarvan. Dit besluit heeft de steun van een ruime meerderheid van de Tweede Kamer. De verantwoordelijke minister Klink benadrukt dat het gaat om een maatregel in het belang van de gezondheid van werknemers, met als voetnoot dat hij - minister Klink - in de horecasector hecht aan een gelijk speelveld. Deze toevoeging is van groot belang, gezien, wanneer Klink niet zou hechten aan een gelijk speelveld, horeca-ondernemers zonder personeel gevrijwaard zouden zijn van het rookverbod. Geen valse concurrentie dus in een democratisch Nederland. Dat de heer Klink zich in deze tegenspreekt door het beeld te schetsen dat dankzij het rookverbod een markt van 800.000 nieuwe klanten kan worden aangeboord, met als gevolg dat het klantenbestand van de horeca alleen maar toe kan nemen, laat ik inhoudelijk buiten beschouwing. Ik stel alleen een vraag: Hoe kan er sprake zijn van valse concurrentie als het in een rookvrije horeca alleen maar drukker kan worden? Het niet toestaan gelegenheden zonder personeel te laten roken is zo ridicuul dat ik het de moeite niet waard vind het te adresseren. Het gaat mij om een groter onrecht in deze. Op de vraag van Halbe Zijlstra (VVD) of de minister kennis heeft genomen van de uitspraak van het Duitse constitutionele gerechtshof in Karlsruhe, antwoordt de minister: Ik ben op de hoogte van de uitspraak van het Duitse constitutionele gerechtshof in Karlsruhe. Het hof heeft aangegeven dat de regelgeving op het gebied van de rookvrije horeca in twee deelstaten (Baden-Württemberg en Berlijn) in strijd is met de grondwettelijk gewaarborgde vrije beroepsuitoefening. Horecazaken in genoemde deelstaten die de beschikking hebben over meer dan één ruimte, mogen een afgesloten ruimte als rookruimte aanwijzen. Daar geldt in de ogen van het hof dus een relatief rookverbod. In die rookruimte mag ook worden bediend. Horecagelegenheden met maar één ruimte dienen geheel rookvrij te zijn. Daar geldt dan volgens het hof een absoluut rookverbod. Deze ongelijkheid acht het hof onterecht De heer Klink vervolgt zijn antwoord met het beroven van een stukje vrijheid van een ieder individu op basis van zijn interpretatie van de grondwet: Artikel 19, derde lid. Verschil met Nederland is allereerst dat we geen (grond)wettelijk gewaarborgde vrije beroepsuitoefening kennen. Daarnaast biedt de regelgeving in Nederland horeca-ondernemers de vrijheid om zelf de afweging te maken om al dan niet een rookruimte in te richten en zijn de eisen aan rookruimten beperkt Laten we de letterlijke tekst van onze grondwet er even bij halen: Artikel 19, derde lid Grondwet - Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld. Dit artikel uit de grondwet heeft al eerder onder vuur gelegen en heeft daardoor een amendement verkregen: Uit de geschiedenis van de totstandkoming van het bij amendement Rietkerk in de Grondwet opgenomen artikel 19, derde lid (Kamerstukken II 1976/77, 13 873, nr. 3, blz. 28-29; nr. 7, blz. 16-17; nr. 9, blz. 1-3; nr. 13, Handelingen II 1976/77, blz. 1977, 2313-2320, 2428 en 2476) blijkt dat daarbij een onderscheid voor ogen heeft gestaan tussen de vrijheid van arbeidskeuze, gewaarborgd in de bepaling en het stellen van voorwaarden aan de kwaliteit van de beroepsuitoefening, hetgeen door de bepaling onverlet wordt gelaten. De vrijheid van arbeidskeuze strekt er aldus toe dat aan degenen die aan de regels inzake beroepsuitoefening voldoen, geen belemmeringen in de weg mogen worden gelegd dit beroep uit te oefenen. Kort samengevat, volgens Klink: als je voldoet aan de regels, ben je vrij in je keuze van arbeid. Nu wil ik hier toch een kanttekening bij plaatsen. Een beperking opgelegd door de wet heeft maar één doel volgens de rechtspraak en dat is een maatschappelijk verantwoorde beroepsuitoefening. Het antwoord van Klink kan ik dan niet anders vertalen als: Ondanks dat de vrijheid van arbeidskeuze is gewaarborgd door de bepaling van artikel 19, derde lid (jazeker:: gewaarborgd!), zal de beroepsuitoefening maatschappelijk verantwoord moeten zijn. En hier belanden we op het kernpunt: Is roken toestaan in je vrij gekozen, door de grondwet gewaarborgde, arbeid - in je private onderneming - maatschappelijk verantwoord? Het beantwoorden van deze vraag, kan ik alleen door de dubbele moraal van onze overheid op te werpen: - Hoe kan het niet maatschappelijk verantwoord zijn roken toe te staan in je private eigendom, maar wel tegelijkertijd maatschappelijk verantwoord zijn sigaretten te verkopen in datzelfde eigendom? - Hoe kan niet maatschappelijk verantwoord zijn roken toe te staan in je private eigendom, als de overheid het maatschappelijk verantwoord vindt 75 procent accijns te heffen op de kostprijs van rookwaar? Acht de overheid onze gasten niet in staat te beschikken over hun keuze binnen te treden waar gerookt wordt en waar niet? Waarschijnlijk wel. Sterker nog, ik denk dat de heer Klink mij ontkennend zou antwoorden in deze. Maar daar gaat het volgens hem niet om. Het gaat om het beschermen van de rechten van de werknemers. Dit argument klinkt in eerste instantie redelijk, maar wanneer een ondernemer er langer over na denkt, is deze stelling ronduit gevaarlijk: Een algemene maatregel van bestuur gebracht onder het mom van bescherming van de werknemer, is in werkelijkheid een inbeslagname van eigendom. Elke overheid die wetten dwangmatig oplegt ter bestrijding van menselijk gedrag in private ondernemingen en de ondernemer daarvoor aansprakelijk stelt door middel van boetes, zal uiteindelijk als gevolg hebben dat de ondernemer het recht op zijn of haar eigendom verliest. Het recht van de werknemer op een rookvrije werkplek is in deze een plicht. De werknemer moet tegen zichzelf in bescherming genomen worden, want ook al is de werknemer volwassen, hij of zij kan niet beslissen waar te werken. Vergeten wordt dat de werknemer wel degelijk gekozen heeft in een café of restaurant te werken. Net als klanten ervoor kiezen een gelegenheid waar gerookt wordt te betreden. Geen horeca-ondernemer kan een persoon dwingen voor hem of haar te werken, laat staan iemand verplicht te laten consumeren. Door de 'reddingsactie' van de staat worden werknemers gedwongen keuzes te maken die het keurmerk van onze overheid dragen. Vrijheid in de keuze van arbeid is een leugen. De overheid bepaald of je keuze maatschappelijk verantwoord is. Het heeft dus niets te maken met een gelijk speelveld, valse concurrentie. Het heeft te maken met dat je als horeca-ondernemer die gelooft in zelfbeschikking van de mens geen keurmerk verdient van onze democratisch verkozen overheid. Maar hoe zit het met het maatschappelijk draagvlak van het rookverbod? De meerderheid van de bevolking rookt niet, dus in een democratie bepaalt de meerderheid? Ik ga geen voorbeelden noemen die fundamentele rechten zouden schenden als alles verboden zou worden wat de meerderheid doet of laat. Ik denk dat een ieder weldenkend mens de kromheid van deze redenering kan inzien. Democratie heeft een gevaar dat als genoeg mensen voor een actie stemmen deze moreel aanvaard wordt. Hieruit zou volgen dat een wet pas rechtvaardig is als een meerderheid voor is, ook al schendt de wet een fundamenteel recht. Als democratie het modewoord van nu is, waarom passen we het dan niet altijd toe? Als een ondernemer twee klanten heeft in zijn zaak en die klanten besluiten democratisch dat ze willen stemmen of ze je willen beroven....... De wet moet altijd doorslaggevend zijn en de vrijheid van iedere burger beschermen. Vrijheid betekent het recht over je eigen leven te beschikken zonder op geweldadige wijze inbreuk te maken op de gelijke rechten van anderen. Vertaald naar het vrijheidsinperkende rookverbod: Ik heb niet het recht een persoon te laten meeroken als dat hem of haar kan schaden. Ik heb wel het recht een zaak te beginnen waar ik roken toesta, evenzeer als een ander het recht heeft een zaak te beginnen waar hij of zij het roken verbiedt. Dit is de weg die moet worden ingeslagen en ik geloof dat binnen de horeca consensus kan worden bereikt over dit vrijheidsbeginsel, zonder elkaar het licht in de ogen niet te gunnen. Dat het zittende kabinet een andere mening is toegedaan, maakt mij in deze weinig uit. Op 24 oktober jl. heeft het Europeese parlement besloten niet te vragen om een europees rookverbod. Zij laat de beslissing bij de lidstaten. Nederland heeft geen verplichting naar Europa toe en ook al zouden we dat wel hebben, wij Nederlanders hebben tegen de Europeese grondwet gestemd. Mocht dit rookverbod stand houden dan is er altijd nog de mogelijkheid het systeem van binnen uit te veranderen. Echter de politiek misbruiken om je eigen belangen door te drijven (Stivoro?) is iets dat niet mogelijk zou moeten zijn. Den Haag vergeet dat 27 procent van de Nederlandse bevolking rookt. Mochten die allemaal stemmen tegen de inmenging van een betuttelende overheid, dan kunnen die hun belangen opdringen aan de rest. Ook dit lijkt mij niet de manier, maar als het de rol van een alleen maar groter wordende overheid in zou perken......., ach? Een gehoorde kritiek: als iedereen weer gaat roken, dan lopen mijn klanten weg. Dan moet ik ook weer gaan roken! Mijn antwoord is simpel: Als dat het geval zou zijn, kan het niet anders zijn dat uw doelgroep rokers is en als ondernemer gelooft u in marktwerking. Tot slot: Ik ben ervan overtuigd dat roken ooit tot het verleden zal behoren. Niet omdat een overheid dat wil, maar omdat de vieze gewoonte maatschappelijk gezien dood zal bloeden met de komende generaties. Hier en alleen hier heeft de overheid een functie: in goede, eerlijke voorlichting. Ondernemers zullen dan inspelen op de markt, omdat de markt er dan om vraagt. Dit manifest nodigt uit tot onderschrijving, debat- en afspraken over een te voeren eendrachtig beleid. Leon Twigt Café de Joffer. |
| Terug |